Bron: Financieel Dagblad, 14 november 2001
Primaire overheidstaken mogen niet zonder waarborgen worden overgelaten aan private organisaties, zoals keurmerkverlenende instellingen. Het tv-programma Zembla liet op 19 oktober zien hoe de handhaving van de milieuwetgeving in de Haarlemmermeer bleek te falen, waardoor een vijver in een woonwijk ernstig was vervuild. De autoriteiten wasten hun handen in onschuld en verwezen naar een keurmerk voor de gebruikte grondstoffen waarop ze meenden te kunnen vertrouwen.
Het onafhankelijke Keurmerkinstituut publiceerde onlangs zijn jaaroverzicht van zijn werkterrein – keurmerken voor de consument. Daarin wordt een toename gesignaleerd van de roep om keurmerken voor klassieke overheidstaken als onderwijs, veiligheid en gezondheid. Het gaat niet om zomaar een proefballon, maar om formele aanbevelingen van adviescommissies van de minister van Onderwijs voor een keurmerk voor hoger onderwijs, van Justitie voor een keurmerk voor veilige gemeenten en zelfs de minister van Volksgezondheid, die een keurmerk voor softdrugs wil.
De meeste burgers vertrouwen erop dat onderwijs, veiligheid en gezondheid bij de overheid in goede handen zijn. Het instrumentarium waarmee de overheid de kwaliteit van haar primaire taken bewaakt bestaat vanouds uit wetgeving, vergunningen, inspecties en controles, die weer onder controle staan van democratische organen. Als dit instrumentarium in de versukkeling is geraakt, moet het worden gerepareerd, en niet van de hand gedaan.
De terugtredende overheid heeft de afgelopen decennia terecht flink geschoffeld in haar eigen regelgeving, en tientallen overbodige wetten en regels, zoals de beëdiging van makelaars, afgeschaft. Diverse betrokken bedrijfstakken reageerden hierop met een certificatie- of erkenningsregeling, zodat hun afnemers onderscheid kunnen blijven maken tussen vakman en beunhaas. Dit is een uitstekende manier om starre overheidsbemoeienis te vervangen door een flexibele, vrijwillige kwaliteitstoets.
Deze aanpak is echter alleen toepasbaar op processen waarbij de kans op onherstelbare schade verwaarloosbaar is. Voor de beheersing van de klassieke overheidstaken zijn keurmerken daarom geen alternatief, want ze opereren buiten het zicht van de democratische organen, en ze zijn in beginsel niet verplicht. Deze bezwaren zijn te ontwijken door een keurmerk wettelijk verplicht te stellen en de keurmerkverlenende organisaties onder ministerieel toezicht te brengen, maar dan zijn we terug bij de oorspronkelijke situatie, dus waarom al die moeite?
Dit betekent niet dat certificerende instellingen geen rol kunnen spelen in de handhaving van primaire overheidstaken. Zij beschikken over veel kennis en vaardigheden die de overheid nuttig kan inzetten. Een voorbeeld is het CE-merk voor producten die onder een Europese Richtlijn vallen, zoals elektrische apparaten, gastoestellen en speelgoed. Een aantal geselecteerde private keuringsinstellingen is door de overheid gemandateerd om – na onderzoek – de producent een certificaat te verlenen ten teken dat hij aan de EU-richtlijn voldoet. Bij de invoering van dit systeem heeft de overheid haar inspectieapparaat gewoon in stand gehouden, zodat de Keuringsdienst van Waren onveilige consumentenproducten uit de markt kan blijven halen.
Maar het Keurmerkinstituut waarschuwt tegen vermenging van publieke en private taken bij het toezicht op de wet- en regelgeving. Samenwerking tussen ‘publiek’ en ‘privaat’ is goed, maar de taakverdeling moet helder blijven.
Willem van Weperen
Directeur Keurmerkinsituut